Details
389 p.
Besprekingen
De Standaard
Niet iedere Ierse schrijver hoeft meteen met Samuel Beckett vergeleken te worden, maar als je de dieptragische realiteit van het menselijk tekort met evenveel gortdroge humor beschrijft als Audrey Magee het doet in de openingspagina's van De kolonie , dan drijven de gedachten van de lezer onvermijdelijk af naar haar Nobelprijswinnende landgenoot.
Het helpt dat de simpele, theatrale setting van die eerste bladzijden - twee mannen in een roeibootje - zo beckettiaans aandoet. Kan ook geen kwaad: Magee lijkt alle grote thema's die ze aansnijdt in haar verhaal over twee buitenstaanders op een afgelegen Iers eiland meteen vakkundig te verstoppen in korte, droogkomische dialogen. Ze grijpt de even complexe als bijwijlen kolderieke verhoudingen tussen een Engelse kunstschilder, een Franse linguïst en de bewoners van een onbenoemd eiland aan om het op subtiele wijze te hebben over taal, identiteit, kolonialisme, onderdrukking, zelfontplooiing en geweld. Bovenal echter lijkt Magees roman, die in 2022 voor de Booker Prize werd genomineerd, een illustratie van dat ene bekende spreekwoord over goede bedoelingen en de weg naar de hel.
In het Ierland van 1979 dat de auteur beschrijft, openbaarde die hel zich onder andere in dodelijke aanslagen van de Irish National Liberation Army, de IRA en de Ulster Defence Association. In de korte, over de roman verspreide vignetten waarmee Magee het geweld aankaart, komt haar jarenlange ervaring als journalist naar boven. De feitelijke beschrijvingen van de bomaanslagen en fusillades die haar land destijds verscheurden, komen hard binnen en staan door de zakelijke toon in fel contrast met de rest van de roman. Daarin weerklinkt voornamelijk de stem van de lyrische schrijfster die Magee ook is.
Zonder vingertje
De auteur, die beïnvloed zegt te zijn door Marguerite Duras en Albert Camus, schakelt in haar tweede roman met ogenschijnlijk gemak tussen 'neutrale' beschrijvingen, stream of consciousness en poëtische passages waarin echo's van een kunstenaarskijk op de wereld weerklinken. Dat Audrey Magee erin slaagt om al die verschillende toonaarden samen te brengen in een welluidend en tot nadenken stemmend geheel is een literaire krachttoer op zich. Dat het haar lukt om zonder belerend vingertje over zoveel actuele en essentiële thema's te schrijven en toch een vermakelijke, bij momenten ronduit grappige, roman af te leveren, is wellicht een nog straffere prestatie.
Met een kritische blik naar het verleden én naar de toekomst kijken. Die toekomst misschien zelfs op bescheiden wijze mee vormgeven. Dat is wat kunst heel af en toe vermag. Dat is wat Audrey Magee doet in dit behoorlijk briljante boek.